de modaal hulpwerkwoorden (koppelwerkwoorden)

(die Modalverben)

Verwendung der Verben

Die Modalverben modifizieren das Hauptverb.

  • kunnen - können drückt eine Möglichkeit aus
  • moeten - müssen drückt einen Zwang aus
  • mogen - dürfen, mögen drückt eine Erlaubnis oder einen Wunsch aus
  • willen - wollen drückt einen Wunsch bzw. eine Absicht aus
  • zullen - sollen drückt eine Aufforderung oder stärker einen Zwang aus.

Im Niederländischen können dabei wesentlich mehr Verben sinnvoll aneinander gereiht werden als im Deutsch:
Ik zou jou wel eens hebben willen zien durven blijven zitten kijken.

kunnen - können

Beispiele:

Paul Paul is niet moe dus kan hij niet slapen.

Kunt u alstublieft de deur voor me openen?

Jullie kunnen nu beter gaan anders missen jullie nog de film. Wij kunnen ook volgende keer weer meekomen.

Plotseling kon ik me niets meer herinneren.

Ze konden de trein niet bereiken.

kunnen (können)
presens imperfectum
perfectum gekund
ik kan kon
je | jij kunt/kan kon
u kunt kon
hij | zij | het kan kon
we | wij kunnen konden
jullie kunnen konden
u kunnen konden
ze | zij kunnen konden

moeten - müssen

Beispiele:

Tanja Tanja moet de woonkamer nog stofzuigen.

Dat moest ik even zeggen.

U moet het raam nog sluiten.

Als je met kerstmis in een restaurant wilt eten, moet je een tafel reserveren.

Halina zegt dat Lilly en Pietje hun speelgoed moeten opruimen.

De mensen moeten in de toekomst met minder geld uitkomen.

Zij moesten snel hun huiswerk inleveren.

moeten (müssen)
presens imperfectum
perfectum gemoeten
ik moet moest
je | jij moet moest
u moet moest
hij | zij | het moet moest
we | wij moeten moesten
jullie moeten moesten
u moeten moesten
ze | zij moeten moesten

mogen - dürfen, mögen

Beispiele:

Vlokje Vlokje mag niet in de speeltuin spelen omdat die alleen voor kinderen is.

Naardat ze opgemaakt hadden, mogen zij een ijsje eten.

Hij mag 's avonds tot 10 uur onderweg zijn. Toen hij jonger was, mocht hij alleen maar tot 7 buiten spelen.

Wij mochten doen wat wij wilden.

mogen (dürfen, mögen)
presens imperfectum
perfectum gemogen
ik mag mocht
je | jij mag mocht
u mag mocht
hij | zij | het mag mocht
we | wij mogen mochten
jullie mogen mochten
u mogen mochten
ze | zij mogen mochten

willen - wollen

Beispiele:

*wou ist in der Umgangssprache die gebräuchlichere Form

Reinder Boomgard Reinder Boomgard wil zijn familie vanavond met een nieuwe speel verrassen.

Zij wilde hem graag zoenen maar ze durfde niet.

Ik wou heel graag op reis gaan maar ik wordt ziek.

Kleine kinderen willen niet graag alleen thuis blijven.

Jullie willen liever een andere weg nemen?

willen (wollen)
presens imperfectum
perfectum gewild
ik wil wilde | wou*
je | jij wilt wilde | wou*
u wilt wilde | wou*
hij | zij | het wil wilde | wou*
we | wij willen wilden
jullie willen wilden
u willen wilden
ze | zij willen wilden

zullen - sollen

Beispiele:

Janecke Janecke zal het wasgoed ophangen, omdat Gerrit nog iets anders moet doen.

Hij zou tanken nadat hij die auto had geleend, maar hij deed het niet.

Wij zouden elkaar weer eens ontmoeten, wij hebben elkaar al lang niet meer gezien.

zullen (sollen)
presens imperfectum
perfectum -
ik zal zou
je | jij zal / zult zou
u zal / zult zou
hij | zij | het zal zou
we | wij zullen zouden
jullie zullen zouden
u zal / zult zou
ze | zij zullen zouden

Du verstehst ein Wort nicht? Unser Wörterbuch hilft Dir sicherlich weiter!

Diese Seite wurde zuletzt verändert am 31. August 2010

zum Thema in uitmuntend

in extras

Die Hilfsverben: de hulpwerkwoorden

die unregelmäßigen Verben: de onregelmatige werkwoorden

zum Thema im Internet

Grammatik:

Minikurs Niederländisch

Verben beugen auf: logos

Copyright ©2004 by uitmuntend.dehttp://www.uitmuntend.de
Erstellt und Betrieben von http://extrakraniell.de